Centraal in het werk van Maaike Nijlunsing (1976) staat een facsinatie voor (ge)bouwen. Landschappen, bouwwerken en uitzichten worden met de fotocamera vastgelegd. Deze foto’s dienen als uitgangspunt voor haar schilderijen.

Er is een grote interesse voor het verstrijken van de tijd. Verval en vergankelijkheid spelen een hoofdrol in de vaak door architectuur geïnspireerde werken.

 Gebouwen, veelal van industriële aard,  genieten een grote fascinatie. Hierin is vergankelijkheid vaak af te lezen op muren en is verval vaak het resultaat van leegstand, omdat het gebouw zijn oorspronkelijke functie verloren heeft.

Het verstrijken van de tijd wordt schilderkunstig uitgedrukt door middel van gelaagdheid in de opbreng van de verf.  Deze gelaagdheid resulteert in een andere fascinatie: het ontstaan van  de suggestie van ruimtelijkheid en diepte in het schilderij.

Deze ruimtelijkheid is op zich de basis van het schilderij. Diepte creëren in een plat wit doek is een uitdagend spel, dat door middel van verschillende spelregels iedere keer op een eigen wijze kan worden gespeeld. Er zijn talloze manieren om structuren  te maken en daarmee de  schilderijen op te bouwen.

Het toepassen van verschillende manieren om diepte te suggereren zorgt voor een mindere of meerdere mate van abstractie in het werk. Soms wordt het schilderij een op zichzelf staande wereld met bedachte spelregels voor de opzet van het werk. Soms blijft het uiteindelijke schilderij dicht bij de afbeelding op de foto die als uitgangspunt diende.